Bril.

We zitten in een wenfase.. bril en ik. Sinds woensdagmiddag siert hij mijn neus en ben ik mezelf mentaal aan het metamorfoseren naar een brildrager. We ondergaan samen een soort van stappenplan door op weg naar de dag van gewend.
Dag 1 vond ik het hysterisch.. ha kijk mij nou met mijn hippe brilletje! Ik durfde het zelfs aan een foto van mezelf te maken en die op Facebook te zetten om het hippe brilletje te showen! (Volgens enkele keek ik niet vrolijk genoeg maar hallo!!! Beseffen jullie wel wat voor grens ik overschreden ben!)
Dag 2 vond ik dat hippe brilletje best irritant.. ik heb het bijgeleverde poetsdoekje bijna kaal gepoetst! Het brilletje stond nog niet op mijn neus of ik plukte hem er weer af om als een fanatiekeling de glazen te poetsen. Ik heb nu maar een paar doosjes brilpoetsdoekjes ingeslagen en in elke jaszak, tas en laatje in huis wat doekjes gelegd.. kan ik lustig aan mijn nieuwe afwijking toegeven als ik daar behoefte aan heb want niets irritanter dan een vlekje op je glas en geen brilpoetsdoekje bijdehand! (Hoewel de wollige sjaal van dochter ook best functioneert als brilpoetsdoek).
Dag 3 begon het pijn te doen.. geen hoofdpijn zoals velen zich afvroegen.,. nee meer een soort van montuurpijn! Daar waar de pootjes eindigen begon de pijn… veel pijn. “Stop er dan watjes tussen!” zei mijn lief.. “Ja tuurlijk.. zie je me lopen?!”.. Het was bril op, bril af.. en bril weer op.. en weer af. Niets was goed.. op niet, af niet.. m’n bril en ik zaten me in de weg. “Kutbril!”.. Het was niet hip meer, het was niet grappig meer.. het werd een noodzakelijk kwaad.
Dag 4 werd ik duizelig.. de dag die we uitgekozen hadden om bruut te gaan Sint shoppen. “Shit,… niets staat stil!”.. Als een wouse kip liep ik door de speelgoedwinkel.. ik glimlachte liefjes naar iedereen maar vervloekte ondertussen elke beweging die mijn mede speelgoedkopers maakten. Alles vond ik teveel. “Rotbril.. ik poets me suf, de pootjes doen pijn en ik ben duizelig.. ben beter af zonder dat ding!!”.. En bij thuiskomst verdween de bril in zijn bijgeleverde zwarte doosje. Maar die avond in de bioscoop kon ik er echt niet omheen. Met lichte tegenzin kwam bril zijn kokertje weer uit en vond zijn plek op mijn neus weer.
Dag 5 nam de duizeligheid wat af.. maar maakte de montuurpijn langzaam plaatst voor hoofdpijn. Hoort erbij hoor ik van verschillende kanten. Men had het zelfs al wel eerder verwacht. “Het is echt niet grappig meer hoor.. “.. mopperde ik tegen lief. We zaten in de auto..  “Kun je dat nummerbord lezen?” En lief wees naar een auto voor ons.. “Nee joh.. da’s toch veel te ver weg joh!… … jij wel dan?!”.. “Ja” zei mijn lief.. “Ja ik wel…”… “Kut.. Zit ik dan met m’n bril en nog zie jij zonder meer!”..
Dag 6 voelen mijn oogbollen aan alsof ze op knappen staan, vooral links. Maar net als de rest schijnt ook dat tijdelijk te zijn. Ik hoop het.. ik hoop dat ik straks niet meer als een bezetene de hele godganse dag m’n brilletje aan het poetsen ben, dat ik straks niet meer als een wouse duizelige kip rondloop.. dat de montuurpijn weg blijft.. de hoofdpijn weg gaat! Dat ik ophou met het gevoel te hebben alsof ik overal waar ik binnenkom mijn bril af moet zetten (het is geen zonnebril Kirsten.. remember?!).. Dat ik wen aan mijn spiegelbeeld en het constante ’er zit iets op mijn neus’ gevoel verdwijnt. Ik hoop dat bril en ik gauw aan elkaar gewend zijn.. en ik hoop dat die dag gauw verschijnt!